Paragrafen

Paragraaf 2 Weerstandsvermogen en risicomanagement

Open eindregelingen

3D (Jeugd, Wmo en Participatie)  

Waar in de eerste jaren de budgetten voor de Wmo, Jeugd en Participatie overschotten lieten zien, ontstaat sinds 2018 een kentering in de resultaten. De kosten voor de zorg blijven toenemen, niet alleen door het uitbreiden van de totale omvang. Ook de kosten voor de individuele situaties nemen toe.

Voor het uitvoeren van de regelingen Wmo, Jeugd en Participatie zijn de volgende risico’s onderkend:

  • Het openeinde-karakter van de regelingen. Vanwege de complexiteit en de beperkte beïnvloedbaarheid (resultaat en effect) zijn de uitgaven en inkomsten moeilijk voorspelbaar.
  • Onduidelijkheid over het verloop en de omvang van de rijksbijdragen (Jeugdwet en Participatiewet). Het rijk heeft incidentele toezeggingen gedaan voor 2022; meer structurele afspraken zijn o.a. afhankelijk van de kabinetsformatie.
  • Onzekerheid over het effect van de corona crisis (Covid-19). In 2020 en 2021 heeft het rijk  incidenteel extra middelen compensatie corona ter beschikking gesteld. Er is een risico dat het financiële effect van de corona crisis pas in latere jaren optreedt. Daarmee gepaard gaat onzekerheid in hoeverre dit vertraagde effect door het rijk zal worden gecompenseerd. Voorbeelden hiervan zijn o.a. werk en inkomen, jeugd, onderwijs, eenzaamheid en (mentale) gezondheid.
  • Volume- en prijsontwikkelingen.
  • Risico dat de verlaagde budgetten in verband met de taakstellende bezuiniging op Wmo en Jeugd niet voldoende zijn. In verband met het abonnementstarief Wmo nemen de inkomsten uit eigen bijdragen af en is sprake van een aanzuigende werking. De kosten voor (vooral) Wmo huishoudelijke ondersteuning nemen nog steeds toe. Op Jeugd vormt met name de individuele, specialistische en daarmee dure zorg een risico. In verband met wachtlijsten en opnamestops hebben wij geen volledig zicht op de vraag naar Jeugdhulp. Bij kinderen die op een wachtlijst staan, bestaat het risico dat daardoor zwaardere hulp nodig is. Het is onzeker of de maatregelen afdoende werken om deze risico’s te kunnen opvangen.
  • Onduidelijkheid over het effect van de nieuwe regionale inkoopstrategie Wmo en Jeugd. Dit proces zal veel ambtelijke capaciteit kosten. Hiervoor is nu een grove inschatting gemaakt door een extern bureau, gebaseerd op verschillende aannames. Denk aan de huidige beschikbare capaciteit, het aantal pilots dat opgezet zal worden en de aanname dat sommige werkzaamheden komen te vervallen, waardoor die capaciteit vrijkomt. In 2022 zal duidelijk worden in welke mate de aannames realiteit zijn. Naast de extra capaciteit is een investeringsbudget nodig om de pilots te kunnen uitvoeren. Voor hetzelfde product bestaan dan namelijk twee verschillende systemen die naast elkaar draaien. De kosten hiervoor zijn afhankelijk van de pilots. Daar is op dit moment nog geen inschatting van gemaakt.
  • Onduidelijkheid over het effect van de door-decentralisatie van Beschermd Wonen.
  • Onduidelijkheid over het effect van de Wet Wijziging woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet met ingang van 2022. Met deze wet vindt een administratieve verhuizing plaats van jeugdigen, omdat de verantwoordelijkheid van de betalende gemeente verandert. Jeugdigen zullen administratief uit onze gemeente vertrekken en naar onze gemeente toekomen. De exacte aantallen voor 2022 zijn op het moment van het schrijven van deze begroting nog niet bekend.
  • Onduidelijkheid over het effect van de wetswijziging vroegsignalering in de Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening per 1 januari 2021 op de zorg- en uitvoeringskosten. In 2021 is deze nieuwe taak binnen de bestaande personele bezetting uitgevoerd, maar onzeker is in hoeverre dat op termijn mogelijk blijft.
  • Onzekerheid over de bekostiging van de Wet inburgering met ingang van 2022. Het aantal asielmigranten neemt toe in verband met conflictsituaties.
  • Afhankelijk van ontwikkelingen kan het nodig zijn om extra capaciteit in te zetten.

De uitgaven en het beschikbare budget worden via de vaste P&C-cyclus nauwgezet gevolgd. Waar noodzakelijk worden zij bijgesteld met voorgestelde maatregelen. Hiermee is het risicoprofiel ten opzichte van de uitgangspunten bij de Jaarstukken 2019 verbeterd. Aangezien er een mate van onvoorspelbaarheid zit in de uitgaven in inkomsten voor het Sociaal domein is het risicoprofiel gesteld op € 0,5 miljoen.

Deze pagina is gebouwd op 10/27/2021 13:46:44 met de export van 10/27/2021 11:42:19